logo backgrond
dots background
Filosofisch-theologisch essay over geloof, rede en consciëntieus humanisme hero image

Filosofisch-theologisch essay over geloof, rede en consciëntieus humanisme

(Toelichting op de titel: dit artikel is groots, ambitieus en fundamenteel. Het bestrijkt de meest verstrekkende vragen die de mens zich kan stellen, waarmee de mens – humanistisch en heroïsch – zijn eigenwaarde binnen het heelal herwint.)

Nu oude zekerheden steeds minder vanzelfsprekend zijn, zoeken velen houvast. Sommigen vinden die in religie, levensbeschouwing of filosofie in bredere zin. De patriottische vrijdenker heeft wellicht geen heilig boek, maar niettemin stellen velen zichzelf vragen over zin en de plaats van de mens in het grotere geheel. Juist omdat vrijdenken een grondbeginsel is van onze seculiere rechtsstaat – die toenemend onder druk staat in een tijdperk van multiculturalisme – verdienen ook de grootste vragen over God, geloof en moraal een eerlijke, kritische beschouwing. Als rationele wezens mogen we onderzoeken welke claims redelijk zijn en welke niet.

Het probleem van religieuze kennisclaims en historische afstand

De belangrijkste, meest bekende religies vragen van ons om in bepaalde wonderen te geloven die ongeveer tweeduizend jaar geleden zouden zijn verricht. Of we bereid zijn om in deze wonderen te geloven, bepaalt dan mede of we zullen worden toegelaten tot de hemel of de hel.

De mensen die destijds leefden en deze wonderen direct konden zien, kwamen dus op een radicaal andere basis tot hun geloof dan wij, die nu leven, en dit moeten aannemen op basis van overleveringen. Is het dan eerlijk dat aan ons dezelfde geloofseisen worden gesteld als aan de mensen die de wonderen direct konden meemaken? 

Evolutie, ratio en de functies van menselijk denken

Dezelfde God die volgens sommige religies die eis stelt, heeft ons als mensen neergezet in de natuur als leefomgeving. Onze leefomgeving, onze evolutie, eist voortdurend van onze soort dat wij onze hersenen gebruiken, onze ratio, om patronen te herkennen en data proefondervindelijk te analyseren. Wij hebben geen klauwen, zoals beren en tijgers, en zijn dus aangewezen op het doorgronden van de wereld met ons verstand, om te kunnen overleven en een stap verder te komen. 

Zou diezelfde godheid nu van ons eisen dat wij deze equipage terzijde schuiven, om in wonderen te geloven? God zou dus van ons eisen dat wij de voltrekking van het wonder aannemen, niet op basis van ratio maar op basis van geloof. Hoe redelijk zou dat zijn? Op het eerste gezicht lijkt het niet consistent.

We nemen één toevallig gekozen wonder: de geboorte van Jezus uit de maagd Maria. Een maagdelijke vrouw zou een kind hebben gebaard – dit geloofsartikel worden we geacht aan te nemen op basis van geloof. Maar waarom zou een God ons dan hebben neergezet als rationele wezens?

Door onze evolutie binnen de natuur zijn wij mensen via onze ratio aangewezen op patroonherkenning. Het bestaan van een wezen dat naar betekenis zoekt, bewijst op zichzelf niet dat betekenis vooraf in het universum zat ingebouwd. Wél heeft een wezen dat doorlopend oorzaken tracht te begrijpen, bepaalde evolutionaire voordelen. Neem vragen zoals:

  • Waar komt dat geluid vandaan? 
  • Waarom stierf die persoon? 
  • Waarom groeit dat gewas hier wel en daar niet? 
  • Waarom komt de winter? 

Een brein dat patronen zoekt overleeft beter dan een brein dat dat niet doet. Hieruit volgt niet automatisch dat het universum zélf doelgericht is.

Het zou goed kunnen dat de vragen die ik in dit artikel stel, geen definitieve antwoorden hebben. Maar het filosofisch overdenken van deze thema’s dwingt ons deze vragen en dilemma’s zo precies mogelijk te definiëren, wat ons tóch een stap verder brengt.

Als kind al stelde ik mezelf vragen over wat de volwassenen precies bedoelden, wanneer men sprak over de almacht en alwetendheid van God. De aanleiding voor mij, om in dit artikel met deze vragen bezig te gaan, is – naast een algemene fascinatie voor filosofische en theologische vraagstukken – de zwaarte en beproevingen van het leven (zoals op het vlak van relaties, gezondheid, carrière en ambities).

Gesprekken om houvast te krijgen

Vanuit deze achtergrond ben ik met meerdere religieuze en spirituele mensen in gesprek gegaan. Onder meer met een protestantse dominee, een katholieke priester en iemand die zich toelegt op plantengeneeskunde en sjamanisme. De vragen die mij bijblijven als het meest prangend, hangen samen met het concept van een ‘moreel universum’. Hoe het je vergaat in het leven, of je wel of niet gelukkig bent, wordt dan verbonden aan een serie morele gedragingen. Dit kennen we als het concept ‘zonde’ of ‘karma’, terwijl we van dag tot dag duidelijk zien dat het regent ‘op zowel de goeden als de kwaden’. 

Je krijgt bijvoorbeeld het advies om naar Jezus te zoeken en hem aan te roepen. Eigenlijk is de onderliggende gedachte dat hij je zal helpen: zij het om de zaken in je leven de goede kant op te sturen (dit is waarom mensen ook heiligen verzoeken om wonderen); zij het om innerlijke berusting te vinden.

Maar waarom zou je een god aanroepen om het leven de goede kant op te sturen – om met andere woorden beter en krachtiger te worden, een fijner bestaan te hebben – terwijl de religie tegelijkertijd uitdraagt dat we verkeren binnen een ‘aards tranendal’, waarin alles wat ogenschijnlijk gelukkig maakt, uiteindelijk vluchtig en vergankelijk is? En dat het ware doel van het bestaan niet in deze wereld ligt – dat we met andere woorden van dit leven moeten onthechten – omdat we onze ziel moeten richten op de wereld die hierná zou aanbreken?

Eén van de gesprekspartners trok de analogie met het kind dat de wereld niet begrijpt, en daarom de instructies van zijn vader dient te volgen. Die persoon is er vast van overtuigd dat God, als schepper van het universum, zich in menselijke vorm aan de mensen heeft getoond en zijn wetten heeft overgedragen, die daarna van generatie op generatie zijn meegegeven.

Het probleem van eenmalige openbaring en universele geldigheid

Hier speelt opnieuw het zojuist gestelde probleem: in de natuur moeten wij mensen normaliter vertrouwen op ons eigen verstand, en wij wantrouwen wat wij niet met onze eigen zintuigen en verstandelijke vermogens kunnen vaststellen. Nu, echter, moet ik overleveringen aannemen waarvan ik de bron niet kan testen met de kracht van mijn eigen oordeelsvermogen. Veel wetenschap, ter vergelijking, bouwt eveneens voort op kennis die chemici honderd jaar terug hebben vastgesteld, en die ik in het hier-en-nu ook niet één-twee-drie beschikbaar heb. Maar in beginsel zijn die experimenten nog steeds reproduceerbaar. Dit is met de wonderen waarop religies zich baseren niet het geval: die waren per definitie eenmalig en uniek. 

Dit eenmalige en unieke karakter leidt tot de vraag waarom een goddelijke schepper van zijn met ratio begiftigde schepsels een irrationele geloofssprong zou verlangen, ten faveure van een esoterische overdracht van informatie.

Kosmische ervaringen

Een verhaal dat tegen mijn analyse van zojuist werd ingebracht, was de kosmische ervaring die iemand had via het gebruik van bijzondere paddenstoelen. Hij had zich één gevoeld met de natuur en met het heelal, en was een goddelijke kracht gewaar geworden. 

Hierop stelde ik de vraag, hoe hij nu wist of de godheid die hij had ervaren, dezelfde god was die hem opdroeg om bijvoorbeeld niet te werken op zondag, en of die god er morele problemen mee zou hebben als hij stiekem zou fantaseren over de echtgenote van zijn buurman. Want dergelijke ‘geboden’ lijken toch eerder te verwijzen naar mensen die leefden en werkten onder specifieke historisch-maatschappelijke omstandigheden, waarbij die geboden sterk met die omstandigheden samenhangen.

Neem bijvoorbeeld de uiteenzettingen van de gepensioneerde vechtsporter Bas Rutten, die in een extreem goed bekeken YouTube-video uitlegt waarom hij zich tot het geloof heeft bekeerd. In mijn analyse is Rutten een uitstekend en onderhoudend verteller, maar zelfs als zijn getuigenissen waar zijn – dus zijn ervaringen met spirituele en bovennatuurlijke entiteiten – dan zouden die alsnóg niet bewijzen dat er een God is die bevelen oplegt en van mensen eist om op een specifieke manier te worden aanbeden, via specifieke rites en rituelen. Moslims en hindoes zouden vergelijkbare ervaringen kunnen citeren en zij zouden er met evenveel overtuiging op aandringen dat hun religie de juiste is.  

Rutten slaagt er niet in om zijn paranormale ervaringen te verbinden aan een vaststelling dat een particulier geloof, het juiste of ware geloof is. Zelfs als we een eerste oorzaak of een goddelijke grond van het bestaan toegeven, volgt daar nog niet uit dat een specifieke openbaringsreligie waar is.

En dan hebben we nog de contradicties in zijn getuigenissen. Hij beschrijft situaties waarvan het verloop zó bijzonder was, dat het wel een ingreep van God moest zijn geweest. Maar als een godheid alwetend en almachtig is, waarom zou hij dan in zijn eigen schepping moeten ingrijpen? Wat zou hem daartoe kunnen bewegen – had hij immers gewild dat de plant een andere vrucht had gedragen, dan had hij het al wel in het zaadje aangepast.

Ascetische en vitalistische aspecten van religie

Een ander argument dat hij aanhaalde, was de overlap en de synchronie tussen religieuze voorschriften, en specifieke gebruiken waarvan we nu weten dat ze de gezondheid ten goede komen. Godsdienst zou een gezondere leefstijl aanmoedigen. 

Als we dit afpellen, komen we op wat we eerder aanhaalden, dat mensen kracht bij Jezus zoeken omdat ze eigenlijk willen dat hun leven een betere wending neemt. In die zin komt ook het argument van Rutten er dan op neer dat religie aansluit bij een evolutionair instinct om langer, gezonder en efficiënter te kunnen overleven. Maar in de kern gaan de meeste religies daar niet over. Ze prediken het afstand nemen tot het aardse leven om de oversteek te kunnen maken naar iets eeuwigs. En dat is een totaal andere ethiek: de ene ethiek omhelst het lijfelijke, fysieke bestaan, en de andere verwerpt het. 

Met andere woorden staat een vitalistisch motief om religie te omhelzen tegenover de ascetische motivatie om de waarde van het fysieke leven te relativeren. Aanvaard het lijden en richt je op het eeuwige – dat is een ascetische logica. De hedendaagse religieuze taal spreekt eerder in termen van “word sterker, wees gelukkiger, succesvoller, vind meer energie en betekenis”. Om gehoord te kunnen worden perst de religieuze bekering zich in een mal van therapeutisch taalgebruik.

De priester zei hierop het volgende: “Onze bestemming is de hemel maar hier op aarde banen we ons een weg ernaartoe. En dat kan moeilijker als je slecht in je vel zit.” Hierin kunnen de vitalistische en ascetische motieven ogenschijnlijk worden verenigd. Maar het motief om te onthechten, wordt met deze concessie wel zwakker. Op deze wijze lukt het niet om het aardse leven neer te zetten als een vergankelijkheid waardoor je jezelf zo min mogelijk moet laten raken.

Vrije wil en alwetendheid

Steeds als ik deze punten bij mijn gesprekspartners aansneed, werd de discussie teruggebracht naar het bestaan van een moreel geladen universum. In het verhaal van Adam en Eva in de tuin van Eden, leidde de menselijke nieuwsgierigheid tot de zondeval. Dit verhaal keert ook terug bij Jean-Jacques Rousseau en de auteurs van de Frankfurter Schule: de menselijke honger naar kennis zou hoogmoed en zelfoverschatting aanwakkeren en uitmonden in dehumanisering en morele corruptie. Vergelijkbaar is de mythe van Prometheus die het vuur van de goden naar de aarde bracht, en die daarvoor werd bestraft.

Maar het probleem met deze interpretaties is dat de natuur veel elementen bevat die ons – de mensheid – willen vermoorden, van grote roofdieren tot minuscule parasieten, waardoor we dus per definitie op ons verstand zijn aangewezen om ons daartegen te weren. Het voorstellen van het menselijk intellect als bron van morele corruptie, leidt als vanzelf tot haat tegen onze eigen aard en tegen de vruchten van onze beschaving.

Vaak luidt het antwoord op deze paradoxen dat we vanuit het menselijk verstand niet alles kunnen begrijpen en we ons dus moeten neerleggen bij de ondoorgrondelijke wil van God. “Que será, será.” Opnieuw komt dan het verhaal van het kindje dat een mes in het stopcontact wil steken, en hiervoor wordt behoed door zijn ouders, omdat het kind elektriciteit niet begrijpt. 

God straft om ‘tot rust te brengen’

Als er dan een transcendente intelligentie is, waarin alles plots begrijpelijk en verklaarbaar is wat ons ontgaat, hoe kan diegene die dat zegt dan weten dat dat niveau überhaupt bestaat? Op grond van zijn eigen beperkte menselijke verstand kan hij immers geen toegang hebben tot dat niveau, en dus kan hij de aard ervan niet vaststellen.

Hierop wilde de katholieke priester tóch vasthouden aan het concept van een moreel geladen universum. Hij zei dat zondigen wordt bestraft, maar niet altijd hier op aarde. Lijden hoeft geen straf te zijn, stelde hij, maar kan ook door God worden gebruikt om iemand tot bedaren te brengen, als een “opvoedkundige correctie”.  

Het is problematisch om de menselijke analogie van de ouder-kind relatie op God te projecteren. Je pretendeert dan immers tóch inzicht te hebben in Gods wegen die op grond van zijn almacht ondoorgrondelijk zijn. Die opvoedkundige analogie is pas houdbaar als je Gods doelen zou kennen: dit komt er bruutweg op neer dat je niet weet welk hoger doel jouw lijden dient, en dan maar moet aannemen dat het een pedagogische functie vervult. Maar waarom zou een kindje van twee of jonger dan leukemie krijgen? 

Goddelijke voorkennis en menselijke verantwoordelijkheid

De discussie werd nu verplaatst naar het niveau van de vrije wil: dezelfde persoon die zijn ervaring met paddenstoelen omschreef, begon over de zondeval. Maar onmiddellijk zien we het dilemma dat hieruit opstijgt: óf we zijn vrij, óf God is alwetend. Want als de volledigheid van het heelal ooit lag opgerold binnen één kern, die zich daarna in het bestaan heeft uitgezet, dan is de totaliteit van alles wat is gebeurd en niet is gebeurd, voorzien door de alwetende God. 

God – op grond van de alwetendheid en almacht die deel zijn van het concept ‘God’ – wist dus precies wat de mensen gingen doen, nog voordat die allereerste kern in het bestaan werd gelegd. Als God het anders had gewild, had hij het wel anders gemaakt. In een directe en juridische zin ben ik als mens nog steeds verantwoordelijk voor mijn handelen, maar in een theologische en existentiële zin ligt de ultieme verantwoordelijkheid bij God. Ik heb mijn aard meegekregen, mijn natuur en karakter, en dat leef ik uit in de werkelijkheid. Zelfs als ik beslis om tegen mijzelf in te gaan, of om mijn aard en karakter te veranderen, dan nóg wordt die beslissing ingegeven door dat wat aan mijn besluit voorafging, wat via oorzaak-gevolg uiteindelijk teruggaat tot die allereerste kern. 

Schepping versus voorkennis: het robot-argument

Iemand die een orthodoxe vorm van jodendom aanhangt, antwoordde als volgt: “Als ik weet wat jij gaat doen, volgt daaruit nog niet dat jij onvrij bent.” Mijn respons hierop is dat het verschil is, dat hij mij niet heeft gemaakt. Ook heeft hij niet de wetten van de zwaartekracht en andere natuurlijke wetten gemaakt, waar het universum aan onderhorig is. Je kunt het vergelijken met een robotje dat je kunt opwinden. Je draait totdat de robot is opgeladen en dan zet je hem op tafel. Vervolgens loopt het robotje van de tafelrand en valt op de grond. Hoe “vrij” was de val van de robot nu werkelijk? 

De klassieke christelijke reactie op dit gedachte-experiment is dat wij “vrij” zijn omdat Gods voorkennis onze keuzes niet veroorzaakt. Echter, dat gaat voorbij aan de kern. Het gaat immers niet alleen om voorkennis maar om schepping. God heeft niet slechts gezien wat ik zou doen: hij heeft juist die werkelijkheid geactualiseerd waarin ik dit doe.

Naar een consciëntieus humanisme als synthese

Nu komen we op het punt om alles wat in deze gesprekken en analyses is gezegd, zo precies en helder mogelijk uit te kristalliseren. De rode draad in deze discussies is niet zozeer het willen bepleiten van atheïsme, maar eerder om recht te doen aan een consciëntieus humanisme. Twee manieren van zoeken naar ‘het hogere’ staan hier op gespannen voet: enerzijds de weg van rede, ervaring en onderzoek; anderzijds het geloven op basis van openbaring en gezag.

De diverse vragen die aan de orde zijn gekomen, hebben ons geleid naar dit ‘consciëntieuze humanisme’ als samenhangend filosofisch project:

  • Waarom zou een rationeel wezen afhankelijk moeten zijn van openbaringen uit een ver verleden? 
  • Waarom zou geloof een uitzondering mogen vormen op de normale eisen van bewijs? 
  • Hoe kan iemand beweren dat Gods kennis ons overstijgt, maar tegelijk weten wat God bedoelt? 
  • Waarom leiden mystieke ervaringen niet automatisch naar één specifieke religie? 
  • Kan vrije wil bestaan onder een alwetende Schepper? 
     

Hierin blijft het ‘moreel geladen universum’ voor problemen zorgen – tot op een bepaalde hoogte kon de voorchristelijke, antieke filosofie hier beter mee omgaan. Oudgriekse denkers vroegen zich niet zozeer af “Wat beveelt God?”, maar: “Wat is de aard van de werkelijkheid en hoe kan een mens hier optimaal binnen leven?”

Waar onze analyses op uitkomen is niet dat een metafysisch beginsel als dragende grond van de realiteit onbestaanbaar is, maar dat er een onoverbrugbare afgrond gaapt tussen een abstract kosmisch principe en een persoonlijke openbaringsgod zoals voorgesteld in specifieke religies.

‘God’ als kosmische orde

Steeds blijkt dat zodra men God voorstelt als een almachtige persoon met voorkeuren, verboden en interventies, er allerlei ongerijmdheden ontstaan rond kwaad, vrijheid en verantwoordelijkheid. Zodra men ‘het goddelijke’ begrijpt als de kosmische orde zelf, verdwijnen veel van die problemen. Maar hiermee verliezen we ook God als ankerpunt van traditionele religies: de godheid van openbaring, gebed en geboden.

Wat ik hier bepleit is dus niet zozeer atheïsme, maar een verduidelijking hoe ‘God als kosmische orde’ en ‘God als persoonlijke wetgever’ niet zomaar in elkaars verlengde liggen. Deze kosmologieën hebben andere historische achtergronden – het christendom heeft getracht ze te verenigen. 

De vraag die in het geheel van deze bespiegelingen steeds komt bovendrijven, is: “Als een waarheid universeel geldig is, waarom zou zij afhankelijk zijn van een specifieke historische openbaring?”

Stel dat je een bedelaar bent in een hutje in India. Je weet niets van geloof – hooguit heb je vanuit jouw omgeving iets meegekregen van het kastenstelsel en het hindoeïsme. Niettemin zou je in een hel of een vagevuur worden geworpen, omdat je niet uit vrije wil koos voor de enige juiste God. 

Dit gedachte-experiment maakt de absurditeit van traditionele religies aanschouwelijk. Want als God rechtvaardig is, hoe kan de eeuwige bestemming van iemands ziel dan afhangen van historische en geografische omstandigheden? Hoe is de universele pretentie van de religies te rijmen met de contingentie van historische condities? Strikt genomen stelt de christelijke leer dat het moment van de kruisiging het énige betekenisvolle moment was in de geschiedenis van het heelal – het énige lichtpunt in een onmetelijke zee van duisternis. Ook die gevolgtrekking voelt aan als absurd.

De absurditeit van exclusieve reddingsclaims

Zelfs indien op enige wijze zou zijn bewezen dat er een godheid uittorent boven het kosmisch geheel, dan nóg is het voor ons onkenbaar hoe die god exact moet worden aanbeden – of hij er überhaupt op zit te wachten dat wij mensen hem aanbidden. Een kosmische intelligentie schept sterrenstelsels en melkwegstelsels, en roostert vervolgens individuele zielen boven een vuurtje omdat iemand te vaak heeft gescholden of met de echtgenoot van de buurvrouw heeft geflirt. Die gedachte is absurd, en des te meer absurd omdat de afstand tussen het bewustzijn van een mens en een dergelijke kosmische entiteit, waarschijnlijk groter is dan de afstand tussen het bewustzijn van een mens en dat van een mier.

Met andere woorden wordt metafysische waarheid – de vraag of er een God bestaat als eerste en voornaamste grond van het bestaan – doorgaans vermengd met normatieve waarheid en religieus gezag: Als zo’n god bestaat, heeft dat dan überhaupt morele consequenties en welke geboden en godsdienstige instellingen zijn dan gezaghebbend? 

Dit zijn precies denkstappen die worden overgeslagen in een relaas als van Bas Rutten – hoe levendig hij het ook vertelt. Want denk even verder: stel dat er een schepper bestaat, waarom zou hij dan aanbidding verlangen, gebeden, zich bezighouden met seksuele moraal en een voorkeur hebben voor één specifieke religieuze traditie? Niets hiervan volgt uit het bestaan van een schepper als feit op zichzelf.

Behoefte, aanbidding en de logica van het goddelijke

Een macht die sterrenstelsels en zwarte gaten voortbrengt, zou intens geïnteresseerd zijn in specifieke menselijke gedragingen, en tegelijkertijd behoefte hebben aan geloof en aanbidding. Maar een volmaakt wezen heeft logischerwijze geen behoeftes, omdat het niets ontbeert. Een behoefte aan aanbidding suggereert een afhankelijkheid van iets buiten zichzelf. En als het wezen geen aanbidding nodig heeft, waarom zou het uitblijven ervan dan moreel laakbaar zijn? Sowieso kan ik niet geloven op commando – alléén onderzoeken wat mij redelijk voorkomt.

Als we nu deze absurditeit onderkennen, en besluiten om de religieuze voorschriften en vereisten wat rekkelijker te interpreteren, dan komt die bedelaar in India opnieuw boven. Stel nu dat een oprecht, deugdzaam mens ook kan worden gered, ook naar de hemel kan, dan rijst direct de vraag waarom een specifiek christelijk of islamitisch geloof dan nog noodzakelijk is. En dit verzwakt de exclusieve aanspraak van religie op redding, wat ook de sociaal-maatschappelijke bindingskracht van religies aantast.

Deze puzzel zit ongeveer zo in elkaar:

  1. Een religie claimt exclusieve toegang tot redding. 
  2. Die claim versterkt de autoriteit van de religieuze gemeenschap. 
  3. Filosofische uitzonderingen worden noodzakelijk om al te opzichtige en bruuskerende onrechtvaardigheden te vermijden.
  4. Maar elke uitzondering vermindert de scherpte van de oorspronkelijke claim. 

Dat spanningsveld zien we terug in de geschiedenis van het christendom in Nederland, met vele afsplitsingen en ruzies over precies deze kwestie. Neem de Socratische Oorlog: de felle pamflettenstrijd die in Nederland uitbarstte na publicatie van de roman Bélisaire (1767). Hierin betoogde de Franse schrijver Marmontel dat ook vrome heidenen in de hemel konden komen.

Consciëntieus humanisme als filosofisch streven

Wat uiteindelijk overeind blijft is het consciëntieuze humanisme. Als er een God bestaat die mij heeft geschapen als een redelijk wezen, dan kan hij mij moeilijk verwijten dat ik mijn rede serieus heb genomen.

Religies als gevestigde instellingen zijn niet uitgezonderd van het licht van de rede, en ik ga er dan ook vanuit dat het menselijk verstand onmogelijk een vijand van God kan zijn. De rede is juist een fundamentele eigenschap waarmee mensen zijn toegerust. Consciëntieus humanisme wil zeggen dat als een mens eerlijk onderzoekt, twijfelt, argumenteert en concludeert naar beste vermogen, hij handelt in overeenstemming met de aard die God hem gegeven heeft.

Rede als menselijke én goddelijke gave

Alles in dit essay meegewogen, zou het zowel absurd als onredelijk zijn indien een opperwezen zou zeggen: “Ik gaf je een kritisch verstand, maar ik verlangde eigenlijk dat je dat opzij zou zetten zodra een bepaalde openbaring ter sprake kwam.”

De stelregel van consciëntieus humanisme zou ik als volgt formuleren:

Als er meer waarheid is dan ik momenteel zie, dan zal die zich moeten tonen op een wijze die mijn verstand kan herkennen.

Dit wil zeker niet zeggen dat we alles weten, of alle religieuze claims hebben weerlegd. Maar het verklaart wel waarom we geen druk hoeven voelen om ons te conformeren. Gewetensvol handelen behelst juist dat conformiteit zonder overtuiging een vorm van intellectuele oneerlijkheid is – huichelen, hypocrisie. Je kunt je openstellen voor God en Jezus – het is een beetje zoals een cafébaas de deuren opent, de stoelen klaarzet, maar de klanten niet kan dwingen om te komen. Mocht er ooit een God blijken te bestaan, dan kun je zeggen dat je geprobeerd hebt eerlijk te redeneren met de vermogens die je had.

Geloof, bewijs en de asymmetrie van wonderclaims

We komen terug op de wonderen – bovennatuurlijke verschijnselen waarbij de wetten van het universum even worden opgeschort. Het bewijs van de opschorting van deze wetten moet uitzonderlijk sterk zijn: veel sterker dan enige andere reproduceerbare waarheidsclaim, zoals in het voorbeeld van het chemie-experiment. Voor velen zijn de beschikbare gegevens van wonderen te gebrekkig om ze redelijkerwijs te kunnen geloven. En het zou raar, oneerlijk en anti-intuïtief zijn als een God dat vervolgens toch van ons vergt, nadat hij ons als redelijke, rationele wezens op aarde heeft gezet. 

En waarom zou een God die verlangt dat mensen een welbepaald geloof aanhangen in een universele zin, zijn overtuigendste bewijzen beperken tot een verre en specifiek afgebakende historische periode?

Als wonderen inderdaad de basis vormen van een geloof dat universeel bedoeld is voor de mensheid, waarom hebben de mensen die het dichtst bij die gebeurtenissen stonden dan zo’n andere positie wat betreft de aannemelijkheid van deze informatie dan wijzelf?

Geprivilegieerde toegang tot ‘universele’ kennis

We nemen even het christendom als voorbeeld. De apostelen zouden volgens het verhaal de wonderen van Jezus hebben aanschouwd en hem hebben ontmoet na zijn dood. Terwijl wij vandaag het moeten stellen met teksten, interpretaties en kerkelijke overlevering. Nu zou een gelovige antwoorden dat God geen overtuiging wil die door feiten en empirie is afgedwongen, maar een vrije bekering vanuit geloof. 

Dit, echter, brengt het eerdere bezwaar terug op tafel. Want als geloof een vrije respons moet zijn, waarom kregen sommigen dan het privilege van spectaculaire tekenen, terwijl anderen uitsluitend afhankelijk zijn van eeuwenoude overlevering? Waarom krijgt Paulus een visioen op weg naar Damascus, terwijl een moderne scepticus wordt geacht hetzelfde geloof te ontwikkelen met slechts teksten en getuigenissen? 

Ik beschik niet over dezelfde waarnemingen als de apostelen, maar enkel over indirecte overlevering vanuit een verre historische context. De drempel om ervan overtuigd te raken, het te gaan geloven, is voor mij dus niet gradueel, maar essentieel anders: wezenlijk anders. Hierom kan van mij redelijkerwijs niet eenzelfde bekering worden verwacht.

Slotsom: de ethische kernkwestie

Stel dat we ooit voor God zouden staan. Dan zal de verdediging luiden dat we hebben geprobeerd om eerlijk te geloven wat wij redelijkerwijs konden verantwoorden. We zouden God vragen waarom een rationeel wezen openbaringen zou moeten accepteren op een andere basis dan alle andere kennisclaims. De ethische kernkwestie is of wij oprecht hebben gezocht naar waarheid met de vermogens die wij hadden.

Sid Lukkassen lanceert momenteel een crowdfunding waarin hij aanverwante thema’s behandelt: het boek zal heten ‘Zin in Chaos’ en gaat over de zoektocht naar zin en betekenis in turbulente tijden. Hierin worden de werken van filosofen geanalyseerd die eveneens leefden in zware tijden, om zo te zoeken naar universele levenslessen die kracht en houvast bieden. Bekijk het project hier.

Filter