logo backgrond svg backgrond mobile svg
dots background svg
Macht en kapitaal in het tijdperk van AI
  • Achtergronden & opinie

Macht en kapitaal in het tijdperk van AI

  • Achtergronden & opinie
  • 24 juni 2026

Er leeft een hardnekkige mythe dat kunstmatige intelligentie ons vanzelf naar een post-schaarste-samenleving en meer gelijkheid zal brengen, alsof technologische vooruitgang automatisch tot een eerlijke verdeling van welvaart leidt. In dit essay wil ik deze ontwikkeling in een nieuw licht plaatsen, om zo te laten zien hoe schaarste en hiërarchie juist bepalender worden op onvoorziene manieren.

De stelling die ik bekritiseer verdient een eerlijke weergave in haar sterkste vorm: naarmate AI de marginale kosten van steeds meer goederen en diensten richting nul drukt, zo luidt de redenering, vertaalt concurrentie die daling in breed dalende prijzen, tot schaarste economisch nauwelijks nog telt (Rifkin, 2014).

Maar zelfs wie die veronderstelling aanvaardt, stuit op een onderscheid dat de econoom Agisilaos Papadogiannis (2025) scherp maakt: dat goederen technologisch goedkoper worden om te produceren, betekent nog niet dat ze ook breed betaalbaar worden. Het eerste leidt niet vanzelf tot het tweede. In de praktijk profiteren vooral grote technologiebedrijven, aandeelhouders en hoogopgeleide kenniswerkers, niet de samenleving als geheel. Een handvol spelers controleert de rekencapaciteit, datastromen en infrastructuur die geavanceerde AI mogelijk maken, en bouwt daarmee ongekende economische en politieke macht op; de capaciteit om aan de frontier van AI te innoveren is bovendien geconcentreerd in een handvol, overwegend rijke landen (Lippold, 2024).

Toeslagenaffaire als voorbeeld

AI-systemen kunnen bestaande ongelijkheden reproduceren, zoals de Nederlandse toeslagenaffaire bewijst. Een geautomatiseerd risicoselectiesysteem gebruikte onder meer nationaliteit (Nederlander versus niet-Nederlander) als risicofactor. Hierdoor werden tienduizenden ouders – onevenredig vaak met een migratieachtergrond – ten onrechte als fraudeur aangemerkt.

Zolang energie, data, kapitaal en digitale infrastructuur geconcentreerd blijven bij een kleine groep private spelers, is het realistischer dat AI ongelijkheid verdiept en machtsconcentraties versterkt dan dat zij tot economische gelijkheid leidt.

De vraag die dit essay leidt is dus niet óf AI ons leven verandert, maar wat zij doet met de machtsverhoudingen in een economie waarin de fysieke middelen schaars en in particuliere handen blijven. Zodoende is mijn stelling tweeledig: AI versterkt de machtsconcentratie rond wie grond, energie en infrastructuur bezit, en ondermijnt tegelijk de morele rechtvaardiging waarop het klassieke liberalisme rust, het idee dat hard werken loont.

AI kan productie efficiënter maken, maar de fysieke middelen die daarvoor nodig zijn – grond, fabrieken, datacenters, mijnen – zijn en blijven privébezit. Denk aan een agrarisch bedrijf dat AI inzet om oogstmomenten te voorspellen: de winst van die efficiëntie komt terecht bij de eigenaar van het land en de machines, niet bij “de samenleving” in abstracte zin.

Daar komt bij dat veel AI-systemen pas goed presteren met enorme datasets, landbouwdata, klantgegevens, medische dossiers. Deze informatie is meestal geen vrij goed, maar eigendom van bedrijven en instellingen, verhandeld als commercieel bezit. Zo bezien wordt arbeid relatief minder waard, terwijl het bezit van productiemiddelen en data juist méér macht en inkomen oplevert (al is hoever die verschuiving doorzet onder economen omstreden). Maar de richting staat nauwelijks ter discussie: zelfs de econoom Daron Acemoglu, die het macro-economische effect van AI juist bescheiden inschat, verwacht dat de winst vooral naar kapitaal vloeit en dat ongelijkheid eerder groeit dan krimpt (Acemoglu, 2025).

Schaarste en autonomie

Als AI de productie efficiënter maakt maar de onderliggende middelen schaars en geconcentreerd blijven, dringt zich een vraag op die dieper gaat dan verdeling alleen. Het idee dat ‘schaarste zal verdwijnen’ is niet alleen onwaarschijnlijk – energie, grond en aandacht blijven fysiek begrensd, en veel begeerde goederen zijn positioneel en dus per definitie schaars – het verhult ook een tweede probleem.

Dat tweede probleem is dat zelfs áls AI overvloed schept, dat niet oplost wat mensen psychologisch nodig hebben: betekenisvol, doelgericht werk dat inspanning vraagt en waarover ze zelf zeggenschap houden. Critici van de industriële samenleving verbonden dit met het ‘power process’: de behoefte aan doelen, inspanning, het bereiken ervan en autonomie.

Tegelijkertijd is dit het proces waarbinnen de maatschappelijke hiërarchieën zich uitkristalliseren, die noodzakelijk zijn voor orde. Mensen verlangen naar hiërarchie, al is het maar om hun eigen plek binnen de pikorde te kennen, te bevechten en vast te stellen. Het dier botst tegen de harde grenzen van de wereld in de uitoefening van zijn jeugdige wil en krachten. Het ‘power process’ is het proces waarin het dier de eigen rol leert kennen in de wereld, maar ook de grenzen aan de eigen vermogens. Normaliter vindt een mens via dit proces een plek in de maatschappij waar de eigen vermogens op een zinvolle wijze kunnen worden uitgeoefend, bijdragend tot iets groters.

Wanneer AI juist het cognitieve en administratieve werk overneemt waarin veel mensen die zeggenschap nog ervoeren, concentreert zich niet alleen rijkdom, maar ook de toegang tot zinvolle arbeid zelf. Zeggenschap over je werk, het hebben van een ‘eigen eilandje’ waarop je competent en zinvol werk kunt doen in overeenstemming met je eigen vermogens, vervluchtigt binnen de abstractie van een digitale economie met door AI gestuurde controlesystemen.

Dit raakt aan een dieper probleem voor de gelijkheidsbelofte. Stel dat AI inderdaad materiële overvloed zou scheppen – precies wat de techno-optimisten voorspellen. Zelfs dán verdwijnt ongelijkheid niet, want niet alle begeerde goederen zijn vermeerderbaar. Status, schoonheid, charisma en talent zijn positioneel: hun waarde zit juist in het verschil met anderen, en niet iedereen kan tegelijk boven de rest uitsteken. Zulke eigenschappen blijven schaars, hoeveel overvloed er verder ook is, en worden vanzelf scharnierpunten van nieuwe hiërarchieën.

De idealistische communes uit de jaren zestig illustreren dit. Hoe sterk het credo ‘eerlijk zullen we alles delen’ ook leefde, in de praktijk ontstonden nieuwe verhoudingen rond charismatische leidersfiguren, die informele macht verwierven en, zo luidt een terugkerende kritiek, vaker seksuele toegang tot vrouwelijke groepsleden hadden. Puck van der Land heeft dit bijvoorbeeld omschreven in De commune van Rotterdam. Materiële herverdeling loste de statusongelijkheid niet op: ze verplaatste die alleen.

Zo werken de twee mechanismen elkaar juist in de hand in plaats van tegen elkaar in. AI concentreert enerzijds de materiële macht bij wie de infrastructuur bezit; anderzijds tast het juist het betekenisvolle, cognitieve werk aan waarin mensen onderscheid en zelfrespect ervaren. Het verlangen om zich te onderscheiden verdwijnt daarmee niet, het zoekt slechts nieuwe uitwegen. In het uiterste geval bouwen we virtuele werelden waarin elke gebruiker zijn eigen god is; zelfs daar keert de drang om zich met anderen te meten waarschijnlijk terug.

Digitalisering maakt ‘vrijheid’ abstract

De opkomst van AI zet veel klassieke uitgangspunten van de economische theorie op losse schroeven. Het liberalisme wordt traditioneel verdedigd als het principe van de ‘vrije markt’, tegenover socialistische benaderingen waarin de staat een grote rol speelt. In dat klassieke debat geldt: zolang de markt vrij is om prijzen te vormen, weerspiegelen die prijzen de schaarste en waarde van grondstoffen en arbeid. Als de staat in plaats van de markt de prijzen vaststelt, wordt het volgens deze logica veel moeilijker om die waarden goed in te schatten en productie efficiënt te coördineren, juist omdat het flexibele prijsmechanisme ontbreekt. Dit is in de kern het economische rekenprobleem dat Ludwig von Mises en Friedrich Hayek tegen centrale planning inbrachten: prijzen vatten verspreide kennis samen die geen centrale planner kan overzien. 

Maar precies dat probleem verandert van karakter zodra de markt zelf ophoudt een mensending te zijn. ‘De markt’, als begrip dat verwijst naar reële, tastbare goederen waarover mensen onderhandelen, wordt steeds vaker vervangen door algoritmes die opereren op abstractieniveaus die voor geen mens meer te volgen zijn, laat staan te berekenen. Steeds vaker betekent het ‘marktprincipe’ niet veel meer dan bots die in microseconden tegen andere bots wedden. Het calculatiedebat verschuift daarmee: de vraag is niet langer wie het beste rekent, mens of staat, maar of überhaupt nog een mens het resultaat begrijpt.

De prijsgeschiedenis van het boek The Making of a Fly (1992) is hier een treffend voorbeeld van. Het ontwikkelingsbiologieboek van Peter Lawrence stond in april 2011 op Amazon te koop voor ruim 23 miljoen dollar – niet door een menselijke beslissing maar doordat twee verkopers elk een prijsalgoritme gebruikten zonder ingebouwde realiteitstoets. De ene zette zijn prijs telkens op 0,9983 keer die van de ander; de ander reageerde door op 1,27 keer de eerste te gaan zitten. Zo schroefden de twee programma’s elkaar dagenlang op tot in de tientallen miljoenen. Dit ging door totdat een mens de absurditeit opmerkte en de prijs instortte tot iets meer dan honderd dollar. Een markt zonder mens in de lus produceert geen schaarste-informatie meer, maar ruis.

Het krachtpunt van het liberalisme als ‘vrije markt’-principe was dat het – tot dusver – beter aansloot bij de intuïtieve manier waarop mensen waarde bepalen dan de kille rationaliteit van een totalitaire staatsplanning. Maar door de toenemende digitalisering van het economisch verkeer, bemiddeld door AI, wordt ook hier de band met de directe leefwereld doorgesneden en vervangen door een technocratische, abstracte, moeilijk te doorgronden rationaliteit. De markt verliest precies de eigenschap waaraan ze haar legitimiteit ontleende: navolgbaarheid voor de mensen die erin leven.

Problemen rond waardebepaling

Die abstrahering laat zich het scherpst zien in de wereld van geautomatiseerde handel en valuta. Naarmate handelssystemen autonomer worden, is denkbaar dat ze munten die onderhevig zijn aan politieke discretie als risicofactor gaan behandelen: de geldhoeveelheid en daarmee de waarde kunnen worden bijgestuurd door politieke processen die voor een algoritme moeilijk te modelleren zijn. Niet zozeer omdat fiatgeld per se volatiel is, de grote munten als dollar en euro zijn betrekkelijk stabiel, maar omdat de discretionaire menselijke beslissing zelf de onzekere variabele vormt: de politieke druk die op de munteenheden rust.

Dit maakt het voor AI aantrekkelijker om te werken met een blockchain met een vooraf vastgelegde, eindige geldhoeveelheid, waar geen centrale autoriteit de regels gaandeweg kan veranderen. Belangrijk is dat dit een keuze over governance is, niet over prijsstabiliteit. Bitcoin is immers volatieler dan welke grote fiatmunt ook. De aantrekkingskracht zit niet in rust, maar in regelvastheid: een systeem dat zich niet politiek laat ombuigen. Deze ontwikkeling, waarbij de menselijke factor in het economisch verkeer wordt uitgefaseerd juist omdat die factor onvoorspelbaar is, zou je kunnen aanduiden als ‘economisch Skynet’: een logica waarin het systeem het menselijke, dat het ooit moest dienen, als storingsbron behandelt.

Maar juist omdát de markt op deze manier onnavolgbaar wordt, verschuift de macht naar wat wél tastbaar en schaars blijft: grond, grondstoffen, energie, datgene wat AI niet kan vermeerderen. Dat brengt ons, verrassend genoeg, terug bij een economisch wereldbeeld uit de achttiende eeuw.

(Neo)fysiocratisme

Wat nu volgt vraagt om een denksprong terug naar een economisch wereldbeeld dat ons aandoet als achterhaald, maar dat juist in het AI-tijdperk onverwacht actueel wordt. Het fysiocratisme (Grieks voor ‘regering van de natuur’) is een economische theorie uit de achttiende eeuw, ontwikkeld door vooral Franse economen. Zij stelden dat de rijkdom van een natie voortkomt uit het overschot dat landbouw op de grond voortbrengt; alle niet-agrarische arbeid zagen zij als een onproductieve afgeleide daarvan. Om rijker te worden moest een land óf meer grond verwerven, óf de bestaande grond opwaarderen via landontwikkeling.

Wat ik hier neofysiocratisme zou willen noemen, houdt het kernidee als basis dat land en natuur de basis vormen van alle welvaart, maar verschuift het accent naar natuurlijke hulpbronnen in brede zin. Dat komt doordat AI menselijke arbeid in waarde verlaagt, maar nog steeds afhankelijk is van private overeenkomsten om toegang te krijgen tot de grondstoffen waarmee wordt geproduceerd. Dit leidt tot fysiocratisme in een nieuw jasje: de ecologische en biofysische economie grijpen al decennialang terug op precies deze fysiocratische intuïtie, dat de materiële basis – land, energie, grondstoffen – uiteindelijk bepaalt wat een economie kan voortbrengen.

Kunstmatige intelligentie zal steeds meer productieve processen automatiseren: in de industrie, in diensten, in logistiek. Bedrijven zullen die ontwikkeling actief versnellen omdat automatisering personeelskosten bespaart. Menselijke arbeid wordt daarmee economisch minder noodzakelijk en verliest relatief veel aan waarde. Toch kent productiviteit altijd een harde grens, omdat fysieke hulpbronnen beperkt zijn: bodem, grondstoffen, energie en land blijven eindig, hoe efficiënt we ze ook inzetten.

Zelfs als er efficiëntere energiebronnen beschikbaar komen, blijven er grenzen, bijvoorbeeld aan wat het elektriciteitsnet of de bekabeling aankan. De cijfers onderschrijven dit: het Internationaal Energieagentschap verwacht dat het stroomverbruik van datacenters tegen 2030 ruwweg verdubbelt tot zo'n 945 TWh. Dit is ongeveer evenveel als heel Japan vandaag verbruikt, met AI als belangrijkste aanjager, ook al blijft dat aandeel met krap 3 procent van de mondiale vraag voorlopig beperkt (IEA, 2025). Deze ongelijke toegang tot energie vertaalt zich in nieuwe vormen van economische ongelijkheid.

Je ziet dat nu al op microniveau: wie dichter bij een internetknooppunt zit, heeft een klein voordeel qua latency, de tijd die een signaal onderweg is. Op grote schaal is dat allang big business: high-frequency traders betalen grof geld om hun servers fysiek náást de beurs te plaatsen, puur om microseconden te winnen. In een wereld waarin meerdere partijen gelijktijdig een beroep doen op AI, wordt de kwaliteit en snelheid van de output bovendien mede bepaald door de stroomtoevoer en de capaciteit van het datacentrum op dat moment. ‘Gelijke toegang’ tot rekenkracht en energie is daarmee vooral een politieke wens, geen economische realiteit.

De verschillen waar het hier om gaat spelen zich af op snelheden die voor het menselijk brein nauwelijks voorstelbaar zijn, maar voor intelligente machines wel degelijk uitmaken. Algoritmes die in theorie gelijktijdig opereren, beïnvloeden elkaar in de praktijk met micro- en milliseconden verschil, en die verschillen zijn geografisch verankerd: het landschap blijkt wederom bepalend. Naarmate economische processen sterker door AI worden gedomineerd, zullen zulke geografische ongelijkheden in infrastructuur en energievoorziening zwaarder doorwegen.

Net als bij de fysiocraten komt de ‘ware waarde’ uiteindelijk weer bij de natuur te liggen, juist omdat AI vrijwel alle informatie en cognitieve arbeid kan reproduceren, behalve de fysieke natuur zelf. In zo'n economische eindstand blijft menselijke arbeid misschien relevant op plekken waar het juist om de menselijke hand gaat, terwijl toegang tot natuurlijke bronnen, land, grondstoffen en energie uitgroeit tot het werkelijk schaarse en dus bepalende kapitaalgoed. Dit is wat Papadogiannis (2025) de migratie van schaarste noemt: AI laat schaarste niet verdwijnen, maar verplaatst haar naar de lagen die schaars blijven: energie, rekenkracht, grondstoffen en de jurisdicties die de toegang daartoe bewaken.

De grenzen aan het klassiek liberalisme

Klassiek liberalisme veronderstelt dat vrijheid ontstaat door de afwezigheid van dwang en de maximalisering van individuele keuzevrijheid. In een door AI gedomineerde economie, waarin menselijke arbeid grotendeels overbodig wordt, begint dat kader te knellen. Wie beheert in zo’n wereld de toegang tot natuurlijke hulpbronnen, en op basis van welke legitimiteit? Het argument “als je maar hard genoeg werkt, verdien je een deel van de welvaart” houdt dan niet langer vanzelfsprekend stand, en vrijheid opgevat als louter ‘niet gehinderd worden’ voelt leeg in een economie waarin de toegang tot cruciale middelen steeds asymmetrischer wordt.

Basisinkomen is geen oplossing

Omdat AI een groot deel van de arbeid kan vervangen, draait geld verdienen steeds meer om het bezit van fysieke hulpbronnen en het bewaken van de toegang daartoe. Macht is dan: de poort bewaken tussen mensen en de fysieke wereld, grond, energie, huisvesting, infrastructuur. Daarom kan een basisinkomen – vaak gepresenteerd als hét antwoord op automatisering – de schok maar beperkt opvangen: het grijpt niet aan op het werkelijke knelpunt, de private controle over schaarse fysieke middelen. Zolang een kleine minderheid de toegang tot land, water, grondstoffen en distributienetwerken kan monopoliseren, verandert een basisinkomen weinig aan de machtsbalans.

Economen kennen dit mechanisme: geef iedereen duizend euro, en voor zover het aanbod vastligt, stijgt de huur simpelweg met diezelfde duizend euro. De eigenaar behoudt immers de controle over het middel dat je nodig hebt om te overleven. Een basisinkomen wordt zo in de praktijk een geldstroom vanuit de schatkist naar de eigenaren van de schaarse middelen; de hiërarchie van gatekeepers blijft intact, alleen de route van het geld verandert.

De econoom Gilles Saint-Paul scherpt dit nog aan met een formeel model. Zodra AI ook geschoolde arbeid begint te vervangen, krimpt de koopkrachtige middenklasse en verschuift de politieke macht naar de ‘oligarchen’, de bezitters van de propriëtaire technologie. Juist zij kunnen dan een basisinkomen invoeren, niet uit rechtvaardigheid, maar om de vraag, en dus hun eigen afzet, op peil te houden nu de massaconsument wegvalt (Saint-Paul, 2025). Het basisinkomen wordt dan een instrument om het systeem draaiende te houden, geen herverdeling van macht.

Dat dit aan de fysieke schaarste ligt en niet aan productiekosten, wordt scherp zodra je doordenkt wat AI wél oplost. Stel dat AI vrijwel alles kan ontwerpen, dat robots en 3D-printers die ontwerpen probleemloos realiseren, en dat energie en productie spotgoedkoop zijn. Dan is het knelpunt niet langer kennis of arbeid, maar de fysieke ruimte. Je kunt een prompt typen waarin je je droomhuis omschrijft en een AI zou het tot in detail kunnen bouwen, maar dat blijft theoretisch zolang je juridisch geen plek hebt om het neer te zetten. Als al het land al in eigendom is en de eigenaren elk bedrag kunnen vragen voor toegang, blijven individuen afhankelijk van wie de schaarse fysieke middelen bezit.

Kortom: zelfs met een genereus basisinkomen schroeven de eigenaren van de fysieke bronnen de prijzen op tot de kosten van het bestaan dat inkomen weer opslokken. Niemand bouwt structureel vermogen op, omdat iedereen afhankelijk blijft van dezelfde gatekeepers. Een basisinkomen bestrijdt de symptomen van automatisering, niet de oorzaak: de macht van een minderheid om de toegang tot essentiële hulpbronnen te monopoliseren.

Hier past een eerlijk tegengeluid. Papadogiannis betoogt bijvoorbeeld dat niet een uitkering bovenóp het systeem, maar het verbreden van het eigendom van die schaarse lagen zelf, de macht zou kunnen verspreiden (Papadogiannis, 2025). Predistributie dus, in plaats van herverdeling. Of dat politiek haalbaar is, blijft een open vraag. Maar die vraag bevestigt het kernpunt van dit betoog: de sleutel ligt bij eigendom, niet bij inkomen.

Alles is al ingeperkt

Samenlevingen kunnen extreme ongelijkheid verdragen, en soms zelfs aanmoedigen, zolang er een breed gedeeld geloof bestaat dat je jezelf “uit de armoede kunt werken”: dat hard werken leidt tot eigendom, sociale stijging en uiteindelijk toegang tot schaarse hulpbronnen. Dat geloof in opwaartse mobiliteit is de morele lijm van het hele stelsel. Het is in de kern een meritocratische rechtvaardiging, de gedachte dat wie de top van de piramide bereikt, dat verdient. Juist daarom werkt het legitimerend: het maakt van ongelijkheid een uitkomst van inspanning.

Maar die brug tussen overleven en hard werken is kwetsbaar. Als automatisering menselijke arbeid grotendeels overbodig maakt, is er geen realistische weg meer om van een dubbeltje een kwartje te worden, en dan kraakt de rechtvaardiging. De logica “ik bezit een groot deel van de taart omdat ik het heb geërfd, of omdat ik toevallig de eerste was” valt dan niet langer te rijmen met het idee van een eerlijke samenleving. Wat overblijft is een naakte verdeling van bezit, zonder het verhaal dat haar moreel aanvaardbaar maakte.

Zodra dat verhaal wegvalt, zonder dat de onderliggende machtsverhouding verandert, ontstaat er een gevaarlijke leegte. Die kan zich op minstens twee manieren ontladen. De eerste lijkt op een Romeinse arena of op Hunger Games: groepen aan de onderkant worden met brood en spelen tegen elkaar uitgespeeld, terwijl een enkele ‘kampioen’ privileges wint voor zijn wijk of klasse door het tegen andere kampioenen op te nemen. De tweede is wat in China ‘bai lan’ heet, “laten rotten”: geen opstand, maar een fatalistische terugtrekking waarin mensen een verslechterende situatie bewust laten verslechteren omdat ze machteloos zijn. Anders dan het verwante ‘tang ping’ (plat liggen), dat vooral de prestatiedrang afwijst, is bai lan de nihilistische variant: niet minder hard werken, maar het opgeven verheffen tot levenshouding.

Beide reacties laten zien waarom het probleem zich niet van binnenuit met conventionele middelen laat oplossen. De spelregels van het systeem zijn immers producten van datzelfde systeem en bevestigen de bestaande machtsverhoudingen alleen maar dieper.

Snowpiercer en het Groene Eiland

Dit is precies wat de film Snowpiercer (2013) in beeld brengt. In een bevroren wereld rijdt een trein rond als laatste bewoonbare plek; de rijken zitten voorin, de armen achterin, en klassenmobiliteit bestaat niet. Rebellies blijken geregisseerd, bedoeld om het overschot aan armen te reduceren, niet om het systeem te veranderen. Wanneer de hoofdpersoon uiteindelijk de locomotief bereikt, ziet hij dat het treinsysteem onvermijdelijk elites en hiërarchieën voortbrengt, en hij weigert de knoppen over te nemen, omdat je een ziek systeem niet repareert door zelf aan het stuur te gaan staan. Pas wanneer de trein ontspoort en de overlevenden de vrieskou in stappen, ontstaat er ruimte voor een werkelijk nieuwe, onvoorspelbare toekomst.

Dat beeld van een buiten, een ruimte die nog niet is ingeperkt en geclaimd, kwam ook ter sprake in mijn gesprek met Joris Bouwmeester in Huis van de Muze (2024). Daar ging het over de ‘lone wolf’ die zich uit zijn roedel moet losmaken om iets nieuws te kunnen stichten, en over een door Nietzsche geïnspireerd beeld dat we “het Groene Eiland” noemden: een plek van openheid die je binnen een juridisch-bureaucratische werkelijkheid niet meer vindt, omdat daarin alles al is verdeeld. (Nietzsche schrijft in Also sprach Zarathustra over de ‘gelukzalige eilanden’, de plek waarheen de schepper zich terugtrekt om te kunnen scheppen.) Het is een aantrekkelijk beeld, maar legt ook een spanning bloot: waar de rest van dit betoog ongelijkheid als een structureel probleem van eigendom analyseert, belooft het eiland een uitweg. De vraag is of er nog een buiten bestaat wanneer, zoals we zagen, zelfs de grond al van iemand is.

Want daar komt het uiteindelijk op neer. Automatisering verschuift de machtsbalans steeds verder richting de bezitters van schaarse natuurlijke middelen, zoals land. Zolang de oude mythe van opwaartse mobiliteit standhield, bleef die verschuiving moreel verteerbaar; valt de mythe weg, dan worden de hiërarchieën die overblijven voor bijna niemand meer aanvaardbaar, behalve misschien voor de heersende klasse. Het zou ongekend krachtige nieuwe mythen vergen om die situatie nog als legitiem te verkopen. Dáár ligt de werkelijke uitdaging waar het liberalisme zich tot nu toe weinig mee bezighoudt, en waar ook een basisinkomen niet als snelle reparatie tegenover kan worden gezet.

Werkethiek, middenklasse en AI

Hoe fragiel de relatie tussen arbeid, betrouwbaarheid en beloning kan worden, zie je scherp waar geen stabiele arbeidsverhouding bestaat. In delen van Latijns-Amerika is informele arbeid eerder regel dan uitzondering: in veel landen werkt rond de helft van de beroepsbevolking zonder vast contract, vaak op dagloon. Dit gebrek aan structuur schept een frustrerende dynamiek. Je huurt iemand in die zegt even een instrument te gaan halen om de druk op de leidingen te meten, vervolgens uren wegblijft en berichten negeert. Soms blijkt de klus simpelweg te complex, maar dat valt binnen zo'n verhouding niet te benoemen. Wie per dag wordt betaald en niets opbouwt, heeft ook geen reden om een klus af te maken zodra hij genoeg heeft verdiend. Iedere aanstelling is een gok of het werk überhaupt wordt opgeleverd.

Dit voorbeeld lijkt op het eerste gezicht te wringen met de rest van dit betoog. Hier hebben arbeiders kennelijk genoeg autonomie om weg te lopen, terwijl ik eerder stelde dat AI arbeid als pressiemiddel ontwaardt. Maar het is dezelfde munt, van twee kanten bekeken: in beide gevallen ontbreekt de stabiele, wederzijds bindende arbeidsrelatie die ooit zekerheid en vakmanschap droeg. Of die relatie nu wegvalt door informaliteit aan de onderkant of door automatisering aan de bovenkant, het resultaat is een losse, onzekere arbeidsmarkt zonder verankering. Richard Sennett beschreef in The Corrosion of Character (1998) hoe het flexibele kapitalisme precies die verankering ondermijnt: door de nadruk op kortdurende, projectmatige arbeid worden mensen tot wegwerpbare, tijdelijke schakels, en erodeert de stabiliteit waarop deugden als loyaliteit, vertrouwen en vakmanschap berusten.

No bourgeoisie, no democracy

Dat roept de vraag op wie bij die erosie baat heeft. Op de korte termijn levert een verzwakte middenklasse minder politieke tegenmacht op. De middenklasse geldt in een lange politicologische traditie, denk aan Barrington Moores stelregel ‘no bourgeoisie, no democracy’, als het anker van sociale stabiliteit; valt dat anker weg, dan blijft een gefragmenteerde, afhankelijke bevolking over met weinig collectieve slagkracht. Zo'n amorfe massa is makkelijker te sturen, juist omdat ze zich moeilijk kan organiseren. In dat vacuüm gedijen volksmenners en demagogen, die op hun beurt weer bespeeld kunnen worden door kapitaalkrachtige elites. Het is geen wetmatigheid, maar er zijn genoeg historische voorbeelden om dit serieus te nemen.

AI versterkt deze dynamiek. Naarmate meer taken – inclusief administratief en analytisch werk – door algoritmes worden overgenomen, groeit de verleiding om arbeid nog meer als vervangbaar te behandelen. In een geglobaliseerd systeem kan goedkope arbeid worden ingeschakeld waar en wanneer het uitkomt; wordt een lokale middenklasse te duur of te veeleisend, dan verplaatst de productie zich. Betrouwbaarheid en karakter worden ingewisseld voor plooibaarheid en kortetermijnwinst, en anders dan bij de arbeider die nog kan staken als tegenzet, verdwijnt met AI ook die laatste hefboom.

Tegen die achtergrond krijgt The Technological Republic (2025) van Palantir-oprichter Alexander Karp en Nicholas Zamiska bijzondere lading, niet om de reden die je zou verwachten. Karp roept Silicon Valley op tot een hernieuwd, hecht partnerschap tussen staat en techsector dat AI inzet om de westerse positie tegenover rivalen als China te behouden.

Met zoveel woorden: de man die aan het hoofd staat van een bedrijf dat AI- en surveillancesoftware levert aan defensie- en inlichtingendiensten, bepleit openlijk een fusie van staatsmacht en technologische infrastructuur. Je kunt het lezen als een pleidooi voor een coöperatiever, ‘Rijnlands’ model waarin overheden en techbedrijven samen publieke belangen borgen. Toch laat het vooral zien hoezeer die samensmelting van macht als wenselijk wordt gepresenteerd door wie er het meest van profiteert. De contouren ervan zien we al in de manier waarop staten zich aan cruciale tech-infrastructuur vastklampen. In Nederland kan ongeveer niks meer vanwege natuur en milieu, maar als het aankomt op het faciliteren van datacenters lijkt voor bestuurders alles mogelijk.

Dus om de bevindingen van deze paragraaf nog even kort te recapituleren: als dienstverlening onvoorspelbaar wordt, wenden mensen zich tot wie zekerheid lijkt te bieden. Een particulier beveiligingsbedrijf, een populistische ‘sterke man’ of een AI-oplossing die stabiliteit belooft. De suggestie van orde is op zichzelf al een machtsmiddel.

Een cultuur van onbetrouwbare dienstverlening heeft een politiek nut: mensen worden boos op elkaar in plaats van op het systeem. Frustratie richt zich op arbeiders, immigranten en kleine ondernemers, niet op de instellingen die de hiërarchie in stand houden. De woede wordt horizontaal afgevoerd, naar andere machtelozen, in plaats van verticaal, naar de werkelijke machtscentra.

Waarom kapitaal linkse identiteitspolitiek omarmt

De versnippering die hierboven beschreven werd, helpt verklaren waarom grote bedrijven zo gretig linkse identiteitspolitiek omarmen. De redenering – en het ís een redenering, geen vaststaand feit – luidt dat polarisatie de democratische rekenschap uitholt: zolang mensen vastzitten in een identiteitsstrijd en in hun eigen gelijk, gevoed door eindeloos herkauwde grieven, eist niemand nog verantwoording over de manier waarop macht en rijkdom worden verdeeld. Opvallend is dat deze kritiek niet per se rechts is. Linkse denkers als Nancy Fraser, met haar begrip ‘progressief neoliberalisme’, en Adolph Reed Jr. betogen dit al jaren. Zij menen dat een kapitalisme dat zich tooit met diversiteit en inclusie zich daarmee juist indekt tegen kritiek op de materiële kern: wie profiteert, wie beslist, wie draagt de lasten…

Hier hoort meteen de sterkste tegenwerping bij, om verwijten van een ‘stroman’ te voorkomen. Het is verdedigbaar dat materiële en identiteitsgebonden onderdrukking niet tegengesteld maar verweven zijn – dat je klasse niet los kunt zien van ras of gender, en dat ‘het is allemaal afleiding van de echte, materiële strijd’ zelf een reductionistische aanname is. Dat is een serieus punt. Het punt hier is niet dat erkenning er niet toe doet, maar dat de symbolische strijd erom in de huidige gang van zaken de materiële vraag verdringt in plaats van haar te dienen, en dat bedrijven daar belang bij hebben.

Want terwijl solidariteit horizontaal versplintert, concentreren algoritmes data, kapitaal en besluitvorming in een handvol tech- en financiële conglomeraten. En hier zit een concretere AI-schakel dan ‘AI vergroot hun macht’: aanbevelingssystemen die op engagement optimaliseren, versterken aantoonbaar de inhoud die het sterkst activeert, en dat is doorgaans verontwaardiging en identiteitsgebonden conflict.

De technologie die de aandacht verdeelt, is dus dezelfde technologie die de economische macht concentreert. Achter een façade van inclusie kan een onderneming zich indekken tegen de vraag naar de verdeling van de baten van globalisering en van AI-gedreven productiviteitswinst, en naar de lasten die op de middenklasse en het precariaat neerslaan.

Tegelijk is ‘alles reguleren’ geen werkbaar tegenantwoord op de toenemend door AI beïnvloede economie. De geschiedenis van planeconomieën laat zien hoe een bureaucratische klasse ontstaat die macht en informatie naar zich toe trekt terwijl de productiviteit stagneert; procedures gaan zwaarder wegen dan resultaten, beeldvorming zwaarder dan output.

Een werkelijke democratie heeft juist voortdurende rekenschap nodig over verticale machtsverhoudingen: wie oefent invloed uit, wie profiteert, wie beslist. Zowel corporate identiteitspolitiek als bureaucratische verdichting ondermijnen precies die transparantie. De eerste door de energie van burgers horizontaal te richten, de tweede door het hele proces zo te verstikken dat er nauwelijks een begin van verzet kan worden georganiseerd, laat staan een koerswijziging in een economie die steeds meer door AI wordt gedomineerd.

Zo bouwt de zittende macht een bunker waarin de gevolgen van haar eigen handelen nauwelijks doordringen. We zijn dan terug bij Snowpiercer: een systeem dat zichzelf met behulp van technologie stabiliseert, laat zich niet repareren met kleine aanpassingen binnen de eigen regels.

Tribalisering als symbolische strijd

Versnippering langs culturele lijnen heeft een merkwaardig effect: iedereen wordt een minderheid, en iedereen kan aanspraak maken op de status van onderdrukte. Het is verdedigbaar dat het claimen van slachtofferschap vooral morele waarde heeft in een cultuur met christelijke wortels, waar mededogen met de lijdende een hoge status geniet. Slachtofferschap wordt dan een soort ‘valuta’ waarmee mensen moreel leiderschap proberen te claimen op grond van ondergaan leed, zonder de vergevingsgezindheid en verantwoordelijkheid die in diezelfde traditie het tegenwicht vormden. Of die culturele verklaring nu klopt of niet: het waarneembare gevolg is wederzijdse afgunst en tribalisering, en het uitblijven van een ethos van gedeeld burgerschap.

Verdeelde groepen kunnen zich moeilijk verenigen om de economische machtsverhoudingen ter discussie te stellen, en precies dat is functioneel zodra AI een groter deel van productie, informatievoorziening en besluitvorming overneemt. De afname aan sociale mobiliteit is hier de sleutel. De muur tussen burgers en de feitelijke machtscentra groeit: productiviteit en controle over kapitaal vergrendelen zich achter intellectueel eigendom, algoritmes, datacentra en serverparken. De brede bevolking is intussen te verdeeld om zich duurzaam te organiseren en te afgeleid om de materiële machtsverschuiving op tijd te keren.

Het resultaat is een samenleving waarin ressentiment, verontwaardiging en onmacht breed zijn gedemocratiseerd – wat weer dankbare ‘grondstof’ is voor AI om emotioneel engagerende content uit te putten – maar de macht niet. Tegen de tijd dat een kritieke massa doorheeft dat ze toegang moet opeisen tot gereedschappen, infrastructuur en productiekapitaal, is de poort al dicht, bewaakt door AI-systemen die zijn ontworpen om risico, onzekerheid en ‘verstoring’ te minimaliseren.

Tot slot

Laten we de redenering in klare taal samenvatten. AI verplaatst de waarde in de economie van arbeid naar het bezit van fysieke en natuurlijke middelen: grond, energie, grondstoffen, infrastructuur. Daarmee breekt de klassiek-liberale rechtvaardiging dat hard werken loont, want er blijft steeds minder werk over dat nog écht loont. Een basisinkomen verandert daar weinig aan, omdat dit de eigendomsstructuur onaangeroerd laat. Corporate identiteitspolitiek evenmin, omdat ze de aandacht juist wegleidt van die structuur. Wie dus vandaag geen toegang opbouwt tot land, energie en productiekapitaal, vindt straks de poort gesloten, bewaakt door dezelfde systemen die de macht concentreren.

Twee bewegingen lopen hier samen. De ene is materieel: macht hoopt zich op bij wie het schaarse bezit. De andere is moreel: het verhaal dat die ongelijkheid rechtvaardigde, valt weg. Samen leveren ze een samenleving op waarin ongelijkheid groter wordt en moeilijker te verdedigen: een instabiele combinatie, want een orde die zichzelf niet meer kan uitleggen, leunt uiteindelijk op dwang en/of op afleiding.

Hierin schuilt de bittere ironie die mijn analyse doortrekt. De logica dwingt het individu tot zorgen dat je nú binnen bent, zolang het kan. Deze aanpak stelt het ieder-voor-zich boven de solidariteit. En daarom kan het culturele deel, de analyse van identiteitspolitiek, niet buiten dit relaas blijven: identitaire versnippering maakt dat solidariteit moeilijk houdbaar is, en voedt de ruis die de werkelijke machtsverschuiving ongemoeid haar gang laat gaan.

 

Geraadpleegde bronnen

  • Acemoglu, Daron (2025). "The Simple Macroeconomics of AI." Economic Policy 40(121).
  • IEA (2025). Energy and AI. Internationaal Energieagentschap.
  • Lippoldt, Douglas C. (2024). AI Innovation Concentration and the Governance Challenge. CIGI Paper No. 292.
  • Papadogiannis, Agisilaos (2025). Scarcity in an Age of AI Abundance. SSRN-werkdocument (nog niet peer-reviewed). Bron: https://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=5924462
  • Rifkin, Jeremy (2014). The Zero Marginal Cost Society.
  • Saint-Paul, Gilles (2025). Artificial Intelligence, the Collapse of Consumer Society, and Oligarchy. IZA Discussion Paper No. 17682.
Filter