De discussie over migratie raakt steeds directer aan veiligheid, leefbaarheid en vrijheid van spreken. Een jonge vrouw die in een volle metro werd lastiggevallen, werd niet alleen symbool van een falend veiligheidsgevoel, maar ook van een samenleving waarin omstanders vaak wegkijken en politici terugschrikken voor ongemakkelijke woorden.
Het debat over het zogenoemde O-woord laat zien hoe scherp de strijd om taal is geworden. Waar de ene kant spreekt over een verboden term, wordt aan de andere kant gewezen op zichtbare demografische veranderingen in wijken en steden die door massamigratie zijn ontstaan.
Moerdijk laat intussen zien hoe weinig grip burgers soms nog hebben op hun eigen leefomgeving. Inwoners weten niet of hun dorp mag blijven bestaan of moet wijken, terwijl besluiten van provincie en Rijk elkaar opvolgen en bewoners achterblijven met onzekerheid over huis, toekomst en pensioen.
Ook de asielopvang zet gemeenten onder zware druk. In Ter Apel is geen plek meer, terwijl hotels zoals Fletcher in Epe al jaren worden ingezet voor noodopvang en daar enorme bedragen belastinggeld mee gemoeid zijn. Ondernemers, inwoners en gemeenten betalen de prijs van beleid dat telkens wordt gepresenteerd als onvermijdelijk.
Daarmee komen de thema’s samen in één fundamentele vraag: wie bepaalt nog hoe Nederland eruitziet? Zolang grenzen open blijven, gemeenten worden gedwongen en burgers vooral moeten slikken wat boven hun hoofd wordt besloten, groeit de kloof tussen bestuur en samenleving alleen maar verder.